Cultuur

Te Deum Laudamus

Ik hield van de zee, waar de schepen op varen,
In schimmige verten, ver buiten de kust.
Ik hield van het strand, waar geen mensen nog waren,
Op stille zondagmorgen, als alles nog rust.

Ik hield van een duik, in de bruisende golven,
Van ’t vuren der zee, in maanlichte nacht.
Ik hield van de vis, uit de diepte gedolven,
Ik heb op de thuiskomst der scheepjes gewacht.

Ik hield van de sterntjes, de kluten en meeuwen,
Zij accentueerden de rust om mij heen.
Ik hield van de zon, die op kwam, en eeuwen,
na eeuwen altijd weer opnieuw op het water verscheen.

Ik hield van de duinen, heel vroeg in de morgen,
Van geurende tijm en bloeiende brem.
Ik hield van de vogels, vergat er mijn zorgen.
Ontmoette er God, zond mijn zangen naar Hem.

Ik hield van dit alles en van nog veel meer dingen,
Die het leven zo blij doen zijn hier op aard.
Van zee en van duinen, van ’t al kon ik zingen,
Als aan een snoer, heb ik alles aanéén gegaard.

Hoe groot is mijn Schepper, die alles wil schenken,
Ook leed en verdriet, meer veel schoonheid nog meer.
Tot mijn laatste zucht, zal ik dit alles gedenken,
Maar bovenal loven, de naam van mijn Heer.

Mien Nijeboer

Uit de sluier der vergetelheid dook dit gedicht op uit het familiearchief. Wilhelmina Catherina Nijeboer-Kaak (1884-1963) was getrouwd met politieagent Willem Nijeboer en had een huisje aan de Boulevard waar nu ongeveer het Emmaplein is. Zij werd al vroeg weduwe. De laatste jaren van haar leven was zij bedlegerig en schreef ze gedichten waarvan er een aantal in de Katwijksche Post verschenen. Te Deum Laudamus (Latijn voor: Wij loven U, O God) is een lofzang op God en Zijn schepping die veel Katwijkers zal aanspreken.

Mien Nijeboer

1 reactie

Geef een reactie